Blog

Een herinnering aan mijn broer

Jongens, ik kan jullie niet horen, waar zijn jullie?’

Vage, vervormde geluiden komen op me af en verdwijnen langzaam weer. Om mij heen draait alles. Ik probeer mijn blik op één punt te vestigen. Dat geeft rust. Maar een seconde later zie ik alles weer bewegen. Het voelt alsof ik gevangen zit in een caleidoscoop.

Zitten, ik moet zitten. Ik tast met mijn handen om me heen en heb al snel twee armleuningen te pakken. Huh? Ik zit al. Maar mijn billen kunnen het zitvlak van de stoel niet voelen. Niet bewegen, concludeer ik. Gewoon blijven waar je bent. Dan kun je in ieder geval niet vallen.

Opeens een schelle, harde stem. Iemand is aan het lachen. Het is Jeff, een van Justins vrienden. Ik zie hem opeens heel scherp voor me. Hij doet net of zijn vinger een vliegje is, hij laat zijn vinger door de lucht bewegen en doet dan opeens alsof het vliegje ontploft en naar beneden valt.

Nog een keiharde lach, maar nu van iemand anders. Ik kijk naar rechts. Het is Geert! Een andere vriend van Justin. Jeff en hij liggen helemaal in een deuk.

Dan is Jeff opeens stil. ‘Justin, jij wordt altijd zo mellow hiervan jongen,’ zegt hij. Ik volg zijn blik en dan zie ik hem. Godzijdank, mijn broer is er. Ik kijk hoe Justin achterover in zijn stoel zit en uitgebreid een trek neemt van de joint die hem zojuist is aangereikt. In alle rust blaast hij de rook in ringetjes naar buiten. Zijn vrienden naast hem zijn alweer verwikkeld in een gezamenlijk lachsalvo.

Ik houd me nog steeds vast aan de armleuningen en probeer me te concentreren op mijn broer. Ik moet zijn aandacht vangen. Justins ogen zijn rood, zie ik. Hij sluit ze en legt zijn hoofd achterover. ‘Justin, Justin,’ wil ik roepen, maar er komt alleen een hees gehijg uit mijn mond.

Dan doet hij opeens zijn ogen open en kijkt me aan. Hij glimlacht, staat op en trekt me van mijn stoel. ‘Kom maar even mee.’ Met zijn hand op mijn rug begeleidt hij me naar de keuken. Daar zet hij me tegen de muur. ‘Blijven staan,’ sommeert hij.

Ik zie hoe hij een deurtje opentrekt en een glas uit de kast pakt. Die vult hij met water. Daarna de suikerpot: eén, twee, drie, vier, vijf schepjes gaan erin. Hij roert met een lepeltje en terwijl het water nog stormachtig beweegt, geeft hij mij het glas. ‘In één keer opdrinken.’

Ik doe wat hij zegt. Als het glas leeg is, schep ik met mijn vinger de laatste restjes suiker eruit. Ik kijk Justin aan, met mijn vinger in mijn mond. Hij schiet in de lach. ‘Zo. Dat was volgens mij de eerste, maar ook de laatste keer blowen voor jou. Doosje.’

Sinds kort schrijf ik over het onderzoek dat ik sinds oktober 2020 naar mijn broer Justin doe. Wil je op de hoogte blijven? Houd dan mijn website in de gaten. Af en toe zal ik een blog plaatsen.